| Houtlijmen |
Wanneer men zich in de plaats stelt van de gebruiker, is het eerste in acht te nemen criterium te weten of de lijm voorbestemd is om "structurele" of "niet-structurele" assemblages te realiseren.
De lijmen van het type "structureel" zijn gewoonlijk harsen die polymeriseren in een driedimentioneel netwerk, wat aan de voegen een goede weerstand tegen cruip bezorgt bij belasting.
Buiten deze essentiële karakteristiek, verschillen deze lijmen ook nog betreffende hun al dan niet goede weerstand aan vocht en aan warmte. Het is op basis van dit criterium dat de norm NBN EN 301 een classificatie van de lijmen geschikt voor de fabricatie van dragende structuren, toekent: twee groepen lijmen worden herkend in functie van de klimaatomstandigheden waarin de assemblages zullen plaatsvinden.
Deze lijmen zijn geschikt voor het lijmen van niet dragende verbindingen: de schrijnwerkerij en de meubelmakerij zijn de belangrijkste afnemers.
Ook hier, is de weerstand van de uitgeharde lijmvoeg aan vochtigheid een belangrijke karakteristiek, op basis waarvan de norm NBN EN 204 een classificatie in vier groepen D1, D2, D3 en D4 toekent. Deze corresponderen met de klimatologische omstandigheden waarvoor deze lijmen geschikt zijn.
Hieronder worden alle lijmen, ontwikkeld voor specifieke doeleinden, gegroepeerd en dit omwille van hun karakteristieken of hun toepassingsmogelijkheden. Onder deze categorie vindt men ook de smeltlijmen, de contactlijmen alsook een belangrijke groep (in volume) lijmen, ontwikkeld voor de plaatindustrie : spaanplaten, vezelplaten en andere.
Deze producten worden praktisch niet meer gebruikt omdat ze meestal minderwaardig zijn in vergelijking met synthetische lijmen. Uitzondering daarop vormen de lijmen op basis van caséine die nog plaatselijk gebruikt worden voor de fabricage van elementen voor houtstructuren.